Wanneer helpen eigenlijk tegenwerken wordt
- Tessa van Rossen
- 21 aug
- 5 minuten om te lezen

"Ik wil gewoon dat het goed met haar gaat."
Die zin hoor ik regelmatig in mijn praktijk. Hij wordt uitgesproken door moeders, partners, vrienden, collega's en kinderen. Door mensen met een groot hart. Mensen die zich verantwoordelijk voelen voor het geluk van de ander en het liefst iedere hobbel uit de weg ruimen voordat die pijn kan doen.
Dat klinkt liefdevol.
En dat is het ook.
Toch zie ik dat juist die liefde soms onbedoeld een valkuil wordt.
Laatst zat Marieke tegenover me. Nog voordat ze goed en wel was gaan zitten vertelde ze over haar volwassen dochter. Ze maakte zich voortdurend zorgen. Als haar dochter een conflict had op haar werk, belde Marieke mee om het op te lossen. Wanneer er een ingewikkelde brief van de gemeente kwam, vulde zij de formulieren in. Had haar dochter ruzie met een vriendin, dan dacht Marieke urenlang mee over wat ze moest zeggen. Zelfs wanneer haar dochter een afspraak bij de tandarts moest maken, gebeurde het regelmatig dat Marieke de telefoon pakte.
Ze deed het allemaal uit liefde.
Toen ik haar vroeg waarom ze dat deed, antwoordde ze zonder aarzelen: "Omdat ik wil voorkomen dat ze zich pijn doet."
Dat antwoord raakte me. Want iedere ouder herkent dat gevoel. Je wilt je kind beschermen. Je wilt voorkomen dat iemand verdriet krijgt, fouten maakt of gekwetst wordt. Dat verlangen is ontzettend menselijk.
Toch stelde ik haar een andere vraag.
"Wanneer leert jouw dochter eigenlijk dat ze moeilijke situaties zelf aankan?"
Ze keek me vragend aan.
Voor het eerst leek ze zich te realiseren dat ze haar dochter steeds vóór was.
Iedere keer wanneer haar dochter een probleem tegenkwam, had Marieke het al opgelost.
Ze was eigenlijk voortdurend het gras aan het maaien... in de tuin van iemand anders.
Ik gebruik die metafoor wel vaker.
Stel je voor dat jouw buurman iedere zaterdag ongemerkt jouw gras maait. In het begin voelt dat misschien prettig. Je hoeft zelf niets te doen. Maar na een tijdje weet je eigenlijk niet meer hoe de grasmaaier werkt. Je leert niet wanneer het gras te lang wordt. Je ontdekt niet hoeveel tijd het kost en je ervaart ook nooit de voldoening van een mooie tuin die je zelf hebt onderhouden.
Je tuin blijft misschien netjes.
Maar jij groeit niet.
Zo werkt het volgens mij ook met helpen.
Wanneer we steeds het gras in andermans tuin maaien, geven we de ander onbedoeld de boodschap dat hij het zelf niet kan. Of misschien zelfs niet hoeft. Ondertussen lopen wij steeds harder te rennen, raken vermoeid en voelen ons verantwoordelijk voor een leven dat eigenlijk niet van ons is.
Dat zie ik niet alleen bij ouders.
Ik denk ook aan Erik. Hij werkte samen met een collega die overal tegenop zag. Iedere keer als er een ingewikkeld dossier lag, schoof zijn collega het naar hem toe. Erik dacht: Ach, ik help hem wel even.
Dat deed hij één keer. Daarna nog een keer. En nog een keer.
Na een paar maanden had Erik structureel meer werk dan zijn collega's. Hij maakte overuren, nam werk mee naar huis en voelde zich steeds vermoeider. Zijn collega werd ondertussen steeds afhankelijker. Niet omdat hij dat bewust wilde, maar omdat Erik hem nooit de kans gaf om zelf te oefenen.
Tijdens een sessie zei Erik: "Ik dacht dat ik behulpzaam was."
Dat was hij ook.
Alleen had zijn behulpzaamheid ervoor gezorgd dat hij zelf overbelast raakte, terwijl zijn collega nauwelijks groeide.
Soms lijkt helpen een beetje op het tillen van de boodschappentas van een kind. Een peuter kan een zware tas nog niet dragen. Dan is het logisch dat jij helpt. Maar wanneer een gezonde zestienjarige nog steeds nooit een boodschappentas hoeft te dragen, mist hij de kans om sterker te worden.
Helpen is prachtig wanneer het nodig is.
Wanneer iemand ziek is.
Wanneer iemand door een onverwachte gebeurtenis tijdelijk uit balans is.
Wanneer iemand om hulp vraagt omdat hij het op dat moment echt niet alleen redt.
Dan is jouw hulp van onschatbare waarde.
Maar er bestaat ook een andere vorm van helpen.
Die ontstaat vanuit onze eigen onrust.
We zien iemand worstelen en voelen zelf spanning. We willen dat ongemakkelijke gevoel zo snel mogelijk kwijt. Daarom springen we ertussen. We lossen het op voordat de ander heeft kunnen ontdekken dat hij misschien veel sterker is dan hij zelf dacht.
In mijn praktijk zie ik vaak dat mensen die veel voor anderen zorgen, het ontzettend moeilijk vinden om iemand te zien worstelen. Ze voelen bijna lichamelijk de neiging om in te grijpen. Dat zegt vaak ook iets over henzelf. Misschien hebben ze vroeger geleerd dat zij verantwoordelijk waren voor de sfeer thuis. Misschien moesten ze al jong zorgen voor een ouder, een broer of een zus. Dan voelt zorgen vertrouwd. Zelfs wanneer het eigenlijk niet meer nodig is.
Daardoor wordt helpen soms een gewoonte.
De ander heeft niet altijd hulp nodig, maar wij zijn ons verantwoordelijk gaan voelen voor het leven van de ander.
Ik geloof dat liefde soms juist betekent dat je een stap achteruit zet.
Dat je iemand ziet worstelen en denkt: Ik vertrouw erop dat jij dit kunt.
Dat is vaak veel moeilijker dan het probleem oplossen.
Want terwijl de ander leert, moet jij omgaan met jouw eigen onrust.
Je moet verdragen dat iemand een fout maakt.
Dat iemand verdriet heeft.
Dat iemand misschien een verkeerde keuze maakt.
Maar juist in die ervaringen ontwikkelen mensen veerkracht, zelfvertrouwen en eigen regie.
Ik vergelijk het wel eens met leren fietsen. Geen enkele ouder rent jarenlang met beide handen aan het zadel mee. Op een dag laat je voorzichtig los. Dat is spannend. Voor het kind, maar misschien nog wel meer voor de ouder. Er bestaat een kans dat het kind valt. Misschien schaaft het een knie. Toch leert bijna iedereen juist daardoor zijn evenwicht vinden.
Zo is het ook met het leven.
Sommige lessen kun je niet uitleggen.
Je moet ze ervaren.
Misschien is helpen daarom niet altijd hetzelfde als iets overnemen.
Misschien is de mooiste vorm van hulp soms wel dat je naast iemand blijft staan, vertrouwen uitspreekt en pas ingrijpt wanneer het echt nodig is.
Dan groeit er iets bij de ander wat je nooit voor hem kunt doen.
Zelfvertrouwen.
En misschien groeit er tegelijkertijd ook iets in jezelf.
De rust om te weten dat jij niet verantwoordelijk bent voor ieders tuin.
Je mag best af en toe een grasmaaier uitlenen.
Je mag uitleggen hoe hij werkt.
Je mag zelfs een keer mee oplopen.
Maar uiteindelijk mag iedereen leren zijn eigen gras te maaien.
En misschien is dat wel één van de grootste cadeaus die je iemand kunt geven. Niet omdat je hem aan zijn lot overlaat, maar omdat je gelooft dat hij sterker is dan hij zelf op dat moment kan zien. Dat vertrouwen kan soms meer betekenen dan duizend keer helpen.
Misschien is het daarom een mooie vraag om jezelf vandaag eens te stellen: maai ik nog steeds het gras in mijn eigen tuin... of ben ik stiekem al een hele tijd bezig in die van iemand anders?





Opmerkingen